Kinderziekenhuis

De inkomhal van het kinderziekenhuis in UZ Leuven voelt aan als de vertrekhal van een moderne luchthaven. Het is er weids en wit en in de lucht zweeft een reuzegrote vogel in origami in lichtblauw met witte wolkjes. Mijn zoon en ik staan er rond te gapen als twee toeristen die de weg kwijt zijn, onze koffer op wieltjes sleept achter ons aan. Aan de onthaaldesk vernemen we dat we ons moeten aanmelden bij een incheckbalie. We trekken een nummertje, wachten onze beurt af en bekomen ondertussen nog wat van de stresserende rit naar hier, het jachtige verkeer rond Brussel in combinatie met regenbuien… Dat we op tijd zijn, hebben we enkel te danken aan het feit dat we door de zenuwen veel te vroeg thuis zijn vertrokken.

Na de formaliteiten bij het inchecken zegt de hostess dat we nu naar stijgpunt twee moeten. Even vrees ik dat ik de verkeerde afslag op de ring van Brussel heb genomen. Ik kijk verward naar de documenten die de dame mij net toestak om te zien of het misschien toch vliegtickets zijn. Ze merkt mijn gefronste wenkbrauwen boven mijn mondmasker op en verduidelijkt dan dat ze hiermee gewoon de lift bedoelt. Even later stijgen we naar vier hoog.

In het ziekenhuis ben je of een kind of een volwassene, er is geen tussencategorie. Dus wandel ik met mijn vijftienjarige zoon door een gang versierd met sinterklaasjes en kartonnen schoorstenen met pakjes. Op de balie van de verpleegsterspost staat een letterbord waarop staat ‘Hij komt, hij komt!!!’. Hun enthousiasme is hartverwarmend, we voelen ons zeer welkom. De verpleegster weet inderdaad meteen wie we zijn en vraagt ons haar te volgen. Mijn zoon, twee koppen groter dan haar, loopt naast haar. Ze kijkt naar hem op en slaat in een lichte paniek dat ze niet hoog genoeg zal kunnen reiken om hem te meten. Het lukt haar, met de hulp van een opstapje dat eigenlijk bedoeld is voor kindjes die niet bij de lavabo kunnen.

Deze afdeling is zoals je kan verwachten volledig op kindermaat gebouwd. In de meeste kamers staat een babybed, maar voor mijn zoon wordt dat vervangen door een groot bed, al is dat nog aan de kleine kant voor een slungel van één meter zevenentachtig. Ook de badkamer is baby-proof met een wastafel in de vorm van een kinderbadje en kranen die standaard op 38°C staan. Verder in de badkamer zijn er grote lades, ik open ze één voor één met de bedoeling onze spullen weg te bergen, maar stel vast dat die allemaal al zijn gevuld: een verzorgingskussen, een babyweegschaal, een borstvoedingskussen… Dit is het walhalla voor babymoeders! Gelukkig is er nog een kast waar plaats is voor onze grote-mensen-spullen. We klagen niet uiteraard. Het voordeel van deze kindvriendelijke afdeling is dat er meteen ook een bed  voor mama (of papa) is voorzien. Al zag ik dat niet meteen staan toen we binnen kwamen. Maar dan blijkt dat het een heel slim bed is dat overdag als zitbank is vermomd. Maakt niet uit, alles is handiger dan elke dag drie uur te moeten rijden en ‘s nachts mijn zoon alleen te moeten laten. Baby’s groeien, maar een moederhart blijft heel klein.     

De eerste nacht lig ik vooral te woelen. We hebben spannende dagen achter de rug. We waren ons al een paar maanden mentaal aan het voorbereiden op deze opname, toen we anderhalve maand geleden een telefoon kregen dat de operatie ingepland was, een dag erna nog een telefoon, dat de operatie toch niet kon doorgaan, een week geleden opnieuw een telefoon, de operatie was opnieuw ingepland, onze koffer stond al klaar toen we gisteren in het nieuws vernamen dat ziekenhuizen operaties moesten annuleren… Toch zijn we op miraculeuze wijze tussen de annulaties door geglipt met een niet-dringende operatie voor een niet-levensbedreigende aandoening*. Het voelt vreemd aan, alsof we hier niet horen. Ook de verpleging zelf vindt het raar. Ze vertelden dat een meisje dat in de kamer naast ons had moeten liggen voor een hartoperatie, terug naar huis was wegens geannuleerde operatie… ! Je voelt je meteen schuldig, ook al hadden wij zelf geen inspraak in de planning.

De volgende dag is de langste dag ooit. Het enige wat we moeten doen is nuchter blijven, rustig blijven en wachten tot drie uur in de namiddag. De operatie verloopt goed, rond zes uur ’s avonds zijn we weer herenigd op de kamer en kunnen we beginnen aan het herstel. Dat moeten we niet alleen doen maar met de hulp van een batterij personeel dat klaar staat om ons te verzorgen, te controleren, te voederen, te wassen, te informeren, te entertainen… Er zijn geen uren genoeg in de dag om hen allemaal aan bod te laten komen, het is overweldigend. Zelfs ‘s nachts, als het dagteam naar huis is, is er de nachtverpleegster. Ze praat met een buitenlands accent, het heeft iets exotisch, als een nachtelijke fee die ons in onze dromen komt bezoeken. De eerste keren dat ik haar hoor binnen schuifelen, weet ik niet goed wat van mij verwacht wordt, ik maak aanstalten om me op te richten. Maar het is meteen duidelijk dat ze me niet nodig heeft. Ze komt tussen mij en mijn zoon in staan, met haar rug naar mij toe. Vanuit mijn liggende positie heb ik zicht op haar zitvlak. Ik hoor hoe ze mijn zoon toefluistert dat zij ervoor zal zorgen dat hij goed slaapt, dat hij geen pijn zal hebben. Ik geef me gewonnen, twee moeders en één zoon, dat is als twee hanen in een kippenhok.

Met zoveel personeel en shiftwissels is goede communicatie belangrijk. Voor het comfort van de patiënt wordt alle informatie zoveel mogelijk doorgebriefd. Het is een moeilijke evenwichtsoefening heb ik ondervonden, want als je pijn hebt, kan je je ergeren aan het feit dat ze iets niet weten, maar evengoed aan het feit dat ze blijk geven alles te weten. We zijn ergens de derde nacht als de nachtverpleegster – die mijn zoon ondertussen als haar eigen bloedje beschouwt – hem een berisping geeft zoals een echte moederkloek: ‘Wat heb ik gehoord? Dat je geen Movicol hebt willen nemen?’ Eerst snap ik niet wat er gaande is, maar dan moet ik denken aan dat spel waarin mensen op een rij een zin moeten door fluisteren, van de oorspronkelijke boodschap blijft bij de laatste in de rij nog slechts een woordenbrij over. Dat is hier gebeurd. Het medicijn – dat nog niet eens werd aangeboden, laat staan geweigerd – werd waarschijnlijk eens vernoemd als optie in hun overleg met een notitie erbij ‘nog niet genomen’. Ik neem het haar niet kwalijk, het is de intentie die hier telt. Alleen al het feit dat ze de toestand van zijn stoelgang zo ter harte neemt, siert haar.

Ze zorgen hier ook voor veel afleiding. Tot twee keer toe komt iemand op de kamer reclame maken voor een Sinterklaasfilm op het tv-kanaal van het ziekenhuis! Als mijn zoon al naar films kijkt over mannen op paarden of op daken dan zal het een oorlogsfilm zijn op Netflix. Hij bedankt vriendelijk. Op een middag klopt er iemand aan. Door het melkglas in de deur zien we kleurrijke kleren, wat erop wijst dat het geen verzorgend personeel is. Als de deur open schuift, staan er twee clownsneuzen. Mijn zoon zucht en werpt een ongelovige blik naar mij, alsof ik er voor iets tussen zit. Het olijke duo blijft in de deuropening staan, ze voeren een theatraal gesprek met elkaar, en concluderen luidop dat het geen goed idee is om binnen te gaan, niet omdat Mattis te oud is, maar omdat lachen pijnlijk is na zijn soort operatie (ook de clowns hebben blijkbaar toegang tot zijn dossier). Mijn zoon knikt opgelucht en roept iets te luid ‘Salut!’. De boodschap is aangekomen, hopelijk wordt deze zonder hiaten doorgebriefd: ‘Opgepast: Gevaarlijke puber op kamer 471!’

Het lukt niet helemaal. Bij het ontbijt op zondag ligt een briefje: ‘Sinterklaas komt langs maandag, zet je schoentje bij jouw deur!’ Mijn zoon die zelf nog niet uit zijn bed kan, doet mij beloven dat ik géén schoenen – of iets dat daarvoor zou kunnen doorgaan – zelfs ook maar per toeval in de buurt van de kamerdeur laat rondslingeren. Ik beloof het op mijn communiezieltje. Maar ik zie één iets over het hoofd: de nachtverpleegster. Terwijl ik lig te slapen, smokkelt ze die nacht een pantoffel mee naar buiten. Waarschijnlijk vond ze het onverantwoord van mij dat ik hem die kinderlijke vreugde wou ontzeggen. Ik ontdek het pas ‘s morgens als ik koffie wil halen. Naast de deur staat zijn maatje 45 gevuld met snoep en mandarijnen.  Mijn zoon kan er nog (voorzichtig) om lachen, zolang de Sint zelf maar niet binnen komt.

Later die dag ga ik -nog maar eens- een koffie halen. Op de terugweg zie ik een colonne volk op de gang lopen, ongeveer ter hoogte van de kamer naast die van ons. Ik ga ervan uit dat het een doktersteam is dat zijn ronde doet en ben blij dat ik niet ver uit de buurt was. Maar als ik iets dichter ben, valt me op dat één van die dokters boven de rest uitsteekt met een rode mijter. Met de koffie nog in mijn handen, zet ik meteen een spurtje in en probeer zonder morsen zo snel mogelijk het andere eind van de gang te bereiken. Ik spring voor de deur en ben nog net op tijd om te verhinderen dat mijn puber nog maar eens moet aangeven dat hij al vijftien is en de Sint op die leeftijd enkel vreugde kan brengen in de vorm van extra zakgeld. Nog wat buiten adem kom ik de kamer terug binnen en sluit de deur achter mij. Mijn zoon snapt niet wat er aan de hand is. Ik wijs naar het raampje in de deur, samen kijken we tevreden toe hoe de Sint en zijn bende stilletjes ons huisje voorbij lopen.

Als ze uit het zicht zijn, kijkt hij me aan met de meest dankbare blik sinds we hier aankwamen. Het doet me goed. Na al die dagen het onderspit te hebben gedolven als moeder ten opzichte van deskundige verpleegsters, een moeder die niets weet van infusen, intraveneuze pijnstillers of saturatie van het bloed, voel ik me weer helemaal in mijn eer hersteld. Mijn aanwezigheid is hier vereist, niet voor zijn fysieke herstel, maar voor het mentale welzijn van een puber in de kinderkliniek.


* Details over de operatie zelf, deel ik liever niet in deze blog. Ondertussen zijn we al een paar dagen thuis en is mijn zoon goed aan het herstellen.

16 gedachten over “Kinderziekenhuis”

  1. Blij dat alles goed verlopen is. Nu is het jouw beurt om te moederen én te verplegen 😷.

    Like

  2. Dag Iris (en Maris),

    Bedankt voor je blog, we vinden het altijd leuk om te lezen en even mee te kijken met wat jij meemaakt. Het is een leuke mix, soms grappig, dan weer herkenbaar,…

    Blij te horen dat alles voorspoedig verloopt met het herstel van Maris. Veel beterschap gewenst 👍 (en hopelijk krijgen we dat vieze virus nu spoedig voldoende onder controle zodat kleine meisjes die een dringende hartoperatie nodig hebben ook de zorgen kunnen krijgen die ze nodig hebben – en alle anderen ook natuurlijk! 🍀🍀🍀)
    Groetjes! Joke en Kristof

    Geliked door 1 persoon

  3. Rechtzetting: 🤓 ik zie net dat ik de naam van Mattis verkeerd getypt heb – weliswaar wil ik hierin de rol van de spellingscontrole van m’n gsm onderstrepen ☺️

    Like

  4. goed gedaan Iris! altijd leuk om eens een positief verhaal uit de zorg te lezen. spoedig herstel voor je zoon en een pluim voor jou!

    Geliked door 1 persoon

  5. doet me denken aan het liedje ‘meisjes van dertien’ niet zo gelukkig: te klein voor de poppen , te jong voor de kerels…
    Vertaal dit naar Mattis naar eigen voorkeur. Veel beterschap, en misschien wordt de kerstman wel meer geapprecieerd.

    Geliked door 1 persoon

  6. Wat heb ik met plezier je ervaringen op onze afdeling gelezen. Heerlijk! Wat ben ik blij dat ik het bed toch meer op maat heb kunnen maken, ware het niet met een borstvoedingskussen. Lieve groet van de lange logistieke medewerker die iets te veel reclame maakte (voor de tweede keer zelfs) voor de sintfilm 🙂

    Geliked door 1 persoon

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s