Kleine kerst

Op een normale zaterdagnamiddag zou het hier druk zijn. Maar vandaag niet. De rest van het land is zich druk aan het voorbereiden op kerstavond. Onderweg naar hier zagen we mensen in lange rijen aanschuiven bij winkels, bakkers en traiteurzaken waar buiten tentjes stonden opgesteld zoals bij een voedselbedeling voor kansarmen. Onze bestemming is geen winkel of shoppingcentrum, maar het strand, alias de rand van de wereld.

Als we parkeren, herkent Lucy waar we zijn. Ze weet dat honden hier los mogen lopen en maakt ons dat duidelijk door van aan de auto tot aan het strand zo hard aan de leiband te trekken dat ze zichzelf bijna opknoopt. ´Mijn vrijheid of mijn leven’, lijkt ze te zeggen. Van zodra we op het zand zijn, haakt Filip haar leiband los. Ze schiet in het rond als een ongeleid projectiel omdat ze maar niet kan beslissen welke kant ze eerst wil ontdekken. Had ze nog een leiband aan gehad, dan lagen we nu ingesnoerd en samengebonden neer in het zand zoals in tekenfilms.

Terwijl Lucy ronddartelt, ploeteren wij ons moeizaam een weg door het mulle zand. Bij elke stap zakken onze schoenen diep weg alsof het strand ons wil afraden om verder te lopen. Maar we laten ons niet zo gemakkelijk afschepen en zetten door, vastberaden onze bescheiden ambitie waar te maken vandaag: een strandwandeling en daarna naar huis voor een kerstavond in het klein: tête-à-tête over een schotel fruits-de-mer die we straks enkel moeten ophalen.

Als we het water eindelijk bereiken, lopen we verder langs de vloedlijn. In het zand zien we de sporen van wandelaars die al lang verdwenen zijn: diepe profielzolen van een professionele wandelaar, lichtere voetstappen gelijkmatig naast elkaar van duo’s, blote voeten zelfs en daartussen sporen van viervoeters die er los doorheen lopen. Voor de zekerheid blijf ik even staan en kijk ik achterom. En ja, ook ons spoor is duidelijk te zien. Het heeft iets troostends, alsof elke stap van deze ambitieloze strandwandeling toch de moeite waard is om bij te houden.

We praten weinig en toch is het niet stil. Er is dat zwaar ruisend geluid dat zo typisch is aan zee in de winter. Al vind ik het moeilijk te definiëren wat het precies is. De zee, de wind, of een combinatie van beide? Het maakt weinig uit, het is er en maakt dat ik even niet moet luisteren naar mijn eigen gedachten. Die komen en gaan zoals de golven die uitsterven op het strand zonder dat ze mijn voeten raken. Sommige laten een vuilwitte schuimrand achter, andere verdwijnen in het niets.

Het zijn van die gedachten waar Lucy geen last van heeft. Ze snuffelt onbekommerd rond en laat zich leiden door de toevalligheden op haar weg: een aangespoelde tak, een hoopje platgetrapte schelpen, een stuk visnet… alles is even interessant. Er zijn ook een paar soortgenoten die haar aandacht trekken: een hond met een fleece jasje die zo goed gedresseerd is dat hij niet eens omkijkt naar Lucy en dan zijn er ook twee schoothondjes die zich samen stoer genoeg vinden om uitdagend naar Lucy te keffen. Lucy gaat iets te enthousiast in op de uitnodiging om te spelen waarop de mini’s zich bedenken en niet snel genoeg terug onder de rok van hun baasje kunnen verdwijnen. Ze lopen zo snel dat hun pootjes zelfs geen sporen nalaten in het zand.

Op enkele plaatsen heeft de zee waterkanalen achtergelaten. Ze lijken mij van ver al te diep en te breed om over te steken. Zonder iets te zeggen, wijk ik van onze route af op zoek naar het smalste stuk waar ik over het strandriviertje kan springen. Lucy wil eerst met mij meelopen maar aarzelt dan als ze merkt dat Filip niet volgt en weet dan even niet waar ze nu best loopt om niemand te affronteren. Terwijl Filip toekijkt waar ik heen loop, wordt hij verrast door een golf die hij – aan zijn schreeuw te horen – niet had zien aankomen. Als ik omkijk staat hij tot aan zijn enkels in het water. De hond die op weg was naar mij, ziet haar vergissing in en snelt hem blaffend te hulp. Al kan ze weinig doen, maar dat maakt ze goed door bij wijze van solidariteit dan maar samen met hem de waterader op zijn diepste punt over te steken. Zijn schoenen zijn nu toch al doorweekt.

Net voor we naar huis rijden loop ik nog binnen bij het visrestaurant om onze fruits-de-mer op te halen. Dat duurt langer dan gedacht. Niet omdat ik moet aanschuiven, maar omdat ze het briefje niet terugvinden met onze bestelling. Het helpt natuurlijk niet dat ik vergeten ben op welke naam ik heb besteld. Ik som alle mogelijkheden op, mijn familienaam, die van Filip, in combinatie met mijn voornaam of die van Filip… Als ik goed kan rekenen zijn dat vier-tot-de-tweede-graad mogelijkheden… Teveel voor de visboeren die verwoed zoeken tussen de bestelbonnetjes die met kopspelden op isomo-bakken zijn vastgemaakt. Ik sta toe te kijken van achter de toonbank en roep af en toe een nieuwe combinatie waardoor ze weer helemaal opnieuw moeten beginnen met alle briefjes te doorzoeken. Zonder resultaat, mijn bestelling is nergens te vinden. Even ziet het ernaar uit dat het een kerstavond zal worden met een diepvriespizza. Maar dan krijg ik gelukkig toch een schotel mee. Geen idee waar hij vandaag komt. Misschien is een die er nog stond van gisteren of een die ze op overschot hebben of misschien ben ik toch terechtgekomen in een soort van voedselbedeling.

Opgelucht maar ook een beetje ontgoocheld wandel ik terug naar de auto. We hebben ons kerstmenu, dat wel. Maar het baart mij wat zorgen dat die schotel zeevruchten voor twee personen inclusief oesters én kreeft – waarvoor ik vooraf in gedachten de hele kofferruimte wou vrijmaken en daarom bijna de hond had thuis gelaten – simpelweg in één papieren draagtasje past! Ik zet het zakje op de achterbank en voor de zekerheid bind ik toch maar de gordel vast rond ons kerstdiner. Daarna neem ik zelf plaats op de passagierszetel naast Filip die even achteromkijkt naar onze extra passagier. Ik leg mijn hand op zijn knie en stel hem probeer hem gerust te stellen: « Het wordt écht een kleine kerst, schatje, net zoals we wilden. »

Winteruur

Zaterdagavond om een uur of zeven, krijg ik de kriebels begint het hier te beven…’  en dat is niet omdat ik zin heb om te ‘dansen’ zoals Clouseau, maar gewoon omdat ik naar het journaal van zeven uur lig te kijken. Misselijk van ongemak en trillend van angst forceer ik mezelf  niet weg te zappen en de realiteit onder ogen te zien: bosbranden, overstromingen, hongersnood, terreuraanslagen, oorlog, … met alle apocalyptische beelden die erbij horen. Daarna wordt een close-up getoond van een uurwerk dat ineens in de verkeerde richting draait alsof het ding is behekst. Het zou zo een scène uit een thriller van Stephen King kunnen zijn, maar nee, ik ben nog steeds naar het nieuws aan het kijken. Het is de aankondiging van het winteruur, wat uitvoerig wordt uitgelegd, met tekst én beeld. Ook nieuwkomers die het fenomeen niet kennen, moeten begrijpen hoe wij hier sjoemelen met de tijd.

Lees verder Winteruur

Regenjas

De winkeldame pakt de regenjas van mij aan, voert de handelingen uit die bij een verkoop horen. Ze doet dat met de nonchalance van iemand die al vele jaren in het vak staat, waardoor ze niet meer moet nadenken en ondertussen tijd vrij heeft om met haar collega te praten die wat verderop kledij staat te prijzen. Met een bezorgd gezicht zegt ze dat ze daarnet opnieuw een prijsticket heeft gevonden tussen de rekken. De andere zucht, deelt duidelijk haar ergernis over losse prijskaartjes.

Mijn jas ligt nu gescand en gevouwen klaar om betaald te worden. De winkeldame richt haar aandacht opnieuw op mij en declameert de prijs alsof ik die nog niet wist. Het is dat prijskaartje dat ik daarnet een paar keer heb bekeken, daarna de jas heb gepast, terug gehangen, door de winkel ben gelopen, gewikt en gewogen of ik de jas echt nodig had, na wat toertjes opnieuw bij de jas ben terecht gekomen, de prijs nog eens bekeken, voor de zekerheid nog een paar andere jassen heb gepast, -in deze tijden doe je geen onbezonnen aankopen meer-, pas na dat alles ben ik hier terecht gekomen, bij de kassa. Ik weet dus exact hoeveel de jas kost en haal mijn bankkaart boven.

Ze ziet dat ik het gesprekje heb gehoord tussen haar en de collega en niet snap wat het probleem is van prijsticketjes die loskomen, behalve dan dat het wel onhandig is als klant, als je niet weet hoeveel iets kost.
Het is het eerste teken van een diefstal of een poging daartoe,’ licht ze toe. ‘Ja madammetje het is hier dagelijkse kost,’ zegt ze. Ondertussen kijkt ze langs mij heen de winkel in naar de klanten, als een moeder die haar kinderen geen moment uit het oog kan verliezen. Ze ziet er ontgoocheld en moe uit, weet niet meer wat ze nog kan doen. Het gordijn van het pashokje heeft ze zelfs al aangepast, vertelt ze. Het pashokje was de plek waar klanten met verkeerde bedoelingen, volledig aan het zicht onttrokken, kledij ontdeden van labels en beveiliging en die dan verstopten in tassen of jassen…
Nu snap ik hoe het komt dat ik daarnet in het kleedhok met mijn hoofd boven de ophangstaaf van het gordijn uitkwam en zo de winkel kon inkijken. Ik dacht nog dat die staaf naar beneden was geschoven, misschien had een peuter in het gordijn willen klimmen? Maar dat kon niet, want de stof hing niet op de grond, integendeel die kwam een halve meter boven de grond uit. Was het gordijn extreem gekrompen in de was? Ik had er geen zinnige verklaring voor, maar het resultaat was dat ik me voelde als een deelnemer van dat Brits datingprogramma ‘Naked Attraction’, in een steeds maar minder verhullende box.

De winkeldame is duidelijk ten einde raad. ‘En het zal er niet op verbeteren hé, met die stijgende energieprijzen!’ Dat ook voor haar de prijzen stijgen, dat schijnen sommige klanten te vergeten. Zelfs met haar jaren ervaring, heeft ze geen oplossing voor dit probleem. Ze staat geen moment meer op haar gemak in de winkel, klaagt ze, ze kijkt klanten argwanend aan als ze binnen komen en nog meer als ze buiten lopen zonder de kassa te passeren. Als er veel volk is, patrouilleert ze tussen de klanten, als een echte gendarme. Het plezier dat ze vroeger had in haar job, is ver te zoeken.
Ik weet niet goed wat ik moet zeggen. Ik knik alleen maar, toon haar mijn medeleven. Moest ik kunnen, zou ik haar een tijdje verlof voorschrijven, om een burn-out te voorkomen. Maar alles wat ik kan doen is een luisterend oor, wat begrip en… een biepje, het signaal dat mijn geld succesvol van mijn bankrekening is afgehouden. De dame zucht, gelaten of gerustgesteld, ik kan het niet zeggen. Ze draait zich om naar de volgende klant.

En ik, ik loop naar buiten met een nieuwe regenjas en datzelfde gevoel als wanneer je stiftjes hebt gekocht voor de Damiaanactie: je hebt ze niet nodig maar je hebt tenminste toch het gevoel dat je een goede daad hebt verricht.

Terrasje

Alleen een terrasje doen. Het moeilijkste moment is in je eentje het terras oplopen in het besef dat iedereen je bekijkt, gewoon omdat niemand hier iets beters te doen heeft. Vooral als het zo’n terras is waarvan de stoelen allemaal in dezelfde richting staan, zoals ze in een theater naar het podium zijn gericht. Terwijl je wordt aangestaard voer je in gedachten dat gesprekje dat je nu normaal met een compagnon zou voeren: ‘Is het goed hier?’, ‘Of zit je liever wat meer in de zon?’, ‘Of toch maar daar?’. Pas als de verschillende stemmetjes in je hoofd een consensus hebben bereikt, kan je gaan zitten aan het uitgekozen tafeltje. Dat is het kantelpunt. Vanaf dat moment ben je één met de terrasbende, je verdwijnt in de massa en mag vanaf nu ongegeneerd anderen aanstaren die er niet bij horen.

Toch kwam ik niet daarvoor, vandaag heb ik een andere missie. Ik tover mijn gezelschap uit mijn tas: een boek, of nog beter, twee boeken. Mijn plan is om hier op het gemak uit te zoeken welke van de twee ik eerst zal lezen. De ober die merkt dat ik geen aanstalten maak om de QR-code te scannen op de tafel, komt vragen of ik misschien liever een papieren drankkaart wil. ‘Ja graag!’ Ik steek mijn boeken in de lucht om te bewijzen dat ik nog van de papieren generatie ben, die generatie die je nog een plezier kan doen met een échte drankkaart, ze mag nog zo gekreukt en beduimeld zijn, mogelijks zelfs besmet met allerlei virussen, we slaan een zucht van opluchting als iemand ze ons aanreikt. Terwijl ik zit te genieten van de kaart die ik kan draaien en keren, vang ik flarden op van het gesprek aan het tafeltje naast mij. Het lijkt op het soort gesprek waarin dingen ‘nu eens open en eerlijk worden uitgesproken’, waardoor ik me een klein beetje ongemakkelijk voel en me afvraag of ik toch niet iets te dicht zit. Ik doe alsof ik omkijk waar de ober blijft om mijn bestelling op te nemen, maar gluur ondertussen naar de compagnie naast mij. Het is een jongere dame met iemand die haar moeder zou kunnen zijn, maar uit het gesprek leid ik af dat dat niet zo is, en toch voelt het aan alsof ze elkaar heel goed kennen, bijna een familieband hebben zelfs…. Ze zijn allebei deftig gekleed, de stijl van Marjan uit Thuis, en voor hen staat een glas champagne. Misschien is dat de reden dat ze zo openhartig praten en zich er niet aan storen dat er mensen meeluisteren.

De ober komt mijn bestelling opnemen. Ik pak nu mijn boeken erbij, bekijk de beide covers en lees vluchtig de achterflap. Misschien moet ik van allebei de eerste pagina lezen, bedenk ik. Maar het toeval wil dat die jongedame, die het meest aan het woord is, met haar gezicht in mijn richting zit, waardoor haar woordenwind langs de pas gecoiffeerde permanente van de oudere heen in mijn richting waait. Vergelijk het met iemand die aan de tafel naast jou zit te roken, het is onvermijdelijk dat je de uitgeblazen rook mee inademt. Ik kan er dus echt niets aan doen dat ik in dat gesprek betrokken raak als een stille getuige. Temeer omdat ze beschaafd Algemeen Nederlands praten, en de jongste heel duidelijk articuleert, haar medeklinkers iets te hard met haar tong tegen haar tanden laat klappen, waardoor die het effect hebben van de kleine tikjes op de lessenaar van de ring van de leerkracht om mij bij de les te houden. De oudere van de twee praat veel zachter maar zegt weinig, zij moet voornamelijk luisteren, af en toe iets bevestigen of ontkennen en daartussen eens van haar champagne nippen: ‘Dat zij neerkijkt op die mensen?’ Dat ontkent ze met een zo minzaam mogelijke ‘nee helemaal niet’, maar de jongere blijft volhouden: ‘Ja dat gevoel heb ik toch elke keer je over hen praat…’, en vervolgens blijft ze maar voorbeelden aanhalen van conversaties en situaties om haar punt te illustreren. Ik zit begripvol mee te knikken, weliswaar met mijn hoofd naar mijn boek gericht.

Mijn verhaal schiet ondertussen dus niet op. Ik blijf steken bij de eerste zin. Het helpt ook niet dat schrijvers doorgaans de neiging hebben hun boek te beginnen met een extra lange en ingewikkelde zin, liefst met nog wat tussen -of bijzinnen, om overtuigend genoeg over te komen en beloftes te maken over de inhoud van de rest van het boek… Ik leg het naast me neer en neem me voor het ander boek uit te proberen. Eerst schuif ik de ongebruikte stoel naast mij wat op om doorgang te maken voor nieuwe terras-gangers. In navolging van die ongeschreven terraswet maak ik nu gebruik van mijn recht hen zonder gêne te observeren zolang ze nog niet neerzitten. Het zijn twee jonge meisjes, allebei met een zomerse salopette met korte billetjes en een tas over hun schouder. Vermoedelijk hebben ze hun shopping-namiddag onderbroken om hier een smoothie of iets meisjesachtig te komen drinken. Ze voeren het ‘waar gaan we zitten’- gesprekje, waarbij één van beide het ‘voor mij is het om het even’-rolletje speelt, de andere inschikkelijke voorstellen formuleert en de eerste dan uiteindelijk toch de definitieve beslissing neemt. Alsof ik het al niet druk genoeg had, kiezen ze de tafel vlak achter mij. Zo kom ik al snel te weten dat het geen zussen zijn, maar wel familie, mogelijk nichtjes. Ze hebben thuis allebei een zwembad. Dat zeggen ze niet letterlijk natuurlijk, omdat ze dat uiteraard wel weten van elkaar, maar het eerste gespreksonderwerp zijn de zwembadspeeltjes die ze thuis hebben: een flamingo, een autoband meegebracht van Italië, een gele donut, een haai met van die handvaten, een luchtmatras met gaten waar je een blikje kan inzetten, en een luchtmatras die lijkt op een waterhangmat met zo’n netje… Ik zie elk opblaasding visueel voor mij tevoorschijn ploppen waardoor zelfs mijn denkbeeldig zwembad al gauw veel te krap wordt om ooit nog te kunnen zwemmen.

Ik zit al een tijdje naar de letters in mijn boek te staren. Het blijven letters, geen woorden, laat staan een verhaal. Wat een idee ook om hier een boek te willen lezen. De verhalen zweven hier rond mij, ik kan ze gewoon uit de lucht pukken. Het zijn fragmenten, net zoals je enkel de eerste pagina van een boek leest. Maar ik moet er evengoed mijn aandacht bijhouden, want aan het tafeltje naast mij komt al een nieuw personage aangeschoven, terwijl ik nog steeds niet goed weet wie die oudste nu is. Ik roep de ober en reken af.

Alleen een terrasje doen. Het moeilijkste moment is misschien toch eerder in je eentje het terras afstrompelen beneveld door flarden verhalen die je nooit helemaal zal kunnen lezen…

Markt

De geur van gemarineerde olijven, van aromatische kruidenmengelingen, van lavendel, van rijpe meloenen, van kazen niet in plakjes maar in de vorm van gigantische kaaswielen, van verse look in ter plaatse gemaakte pangerechten, van verteerde look in de ademwalm van een passant, van T-shirts met zweetvlekken van mannen die al spijt hebben dat ze meekwamen, van kokoszonnecrème van een toeriste die voor mij slentert en mijn zicht belemmert met haar veel te grote zonnehoed… We zijn op een marktje in de Ardèche.

Lees verder Markt

Le Vernet

Ik neem jullie mee voor een tripje, naar een plek ‘waar de huizen geen nummer hebben’. Dat klinkt als een parodie op een nummer van U2, maar het betekent zoveel als ‘het hol van Pluto’. Het is enkel te bereiken als je na 850 kilometer autostrade nog een anderhalf durende bergrit aankan. De weg ernaartoe is als een ingangsexamen waar weinigen in slagen zonder spuugzakjes. Pas dan kom je aan in Le Vernet. Om eerlijk te zijn, dat is gewoon een straat, een straatje, of ja, een verharde boerenwegel eigenlijk, met daarrond een paar huizen. In de meeste gps-systemen zal je het zelfs niet terugvinden, toch niet onder de L, zelfs niet bij de V, maar wel onder de D. De D van ‘Dieu-dit-Le-Vernet’, vrij vertaald: ‘Als God-het-zegt-zullen-we-het-dan-maar-Le-Vernet-noemen…’ Dat was de strikvraag op dat ingangsexamen. Maar geen zorgen, voor wie niet zou slagen, geef ik een schriftelijke rondleiding.

Lees verder Le Vernet

Koers

We zijn op weg naar de Ardèche. Filip aan het stuur, ik in de passagierszetel en de hond in de koffer. Het is een lange rit. Voor wat afleiding staat de radio op. Alleen klinken de meeste Franse radiozenders doorgaans meer als een podcast met eindeloze conversaties over een onderwerp dat je niet begrijpt maar dat belangrijker schijnt te zijn dan vermoeide chauffeurs wakker te houden door verdorie gewoon eens een plaatje te draaien! Na wat heen en weer gezap, geruis en geduld, stellen we ons tevreden met een Franse klassieker. Maar de balade des gens heureux gaat in de eerstvolgende bocht onvermijdelijk weer de mist in. Welkom in Frankrijk!

Lees verder Koers

Tweepersoonskamer

Hoewel de operatie die ik zou ondergaan zelf ook geen pretje beloofde te zijn, was het iets anders waar ik nog het meest tegenop zag: het vooruitzicht een kamer te moeten met delen met een onbekende. Stel je voor dat je op vakantie een hotelkamer zou krijgen waar ook nog iemand anders in huist. Dat zou al wat raar en ongemakkelijk zijn. Maar dat leek me nog niets in vergelijking met de idee een kamer te moeten delen met een vreemde, net nadat je werd opengesneden. En toch – iets met de hospitalisatieverzekering en kamersupplementen – kon het niet anders.

Lees verder Tweepersoonskamer

Bedpraat

Tijdens een telefoongesprek op het werk zie ik op mijn gsm een bericht van Filip verschijnen. Geen tekst maar een foto van de ingang van de Ikea. Hoewel we door omstandigheden al een paar weken op een matras op de grond slapen en dringend aan een nieuw bed toe zijn, is mijn eerste reactie een lichte teleurstelling. Ik was liever mee geweest om samen nog eens alle opties te bekijken, door de winkel te slenteren en daarna iets te eten in het restaurant… Ik slik de gedachte aan de Zweedse balletjes door en stuur hem voor de zekerheid nog een foto door van het meubel dat we online hadden uitgekozen. Ik moet leren loslaten, fluister ik mezelf toe, alles komt goed en met een beetje geluk slapen we vanavond eindelijk opnieuw in een bed.

Lees verder Bedpraat

Darts

Het is vrijdagavond. Na twee jaar vieren we eindelijk nog eens een verjaardag. Bij wijze van animatie spelen we darts, zoals vogelpiek tegenwoordig heet. Het bord hangt op in de veranda, keurig uitgemeten, zoals bij de professionals. Het is de finale, de sfeer zit er goed in. Ik imiteer de houding van die dartskampioen met hanenkam, focus me op het piekbord en nijp mijn ogen halfdicht. Ik kan het uitmaken door dertien te gooien, mijn geluksgetal. In normale omstandigheden moet dat lukken, maar de druk is groot. Ik zwiep mijn arm naar voren, los halfweg de pijl en laat gebeuren…

Lees verder Darts