Personeelsfeest

Voor mijn werk (een academie voor beeldende kunst) stel ik wekelijks op dinsdag een nieuwsbrief op naar het lerarenteam. Ik moet hen informeren over vergaderingen, afspraken, to do’s, deadlines, administratieve taken. Het soort lectuur waar mijn lezerspubliek niet op zit te wachten: in dit soort taken kunnen ze hun artistieke vrijheid niet kwijt. Elke week moet ik dus alles uit de kast halen om de leesstatistieken op peil te houden. Ik verwerk grapjes in de aankondiging van een vergadering, maak opzettelijk schrijffouten in de hoop er reactie op te krijgen of las een knop in die ze na het lezen moeten aanklikken  waarna ze beloond worden met een cartoon… Toch hebben deze ingrepen niet het verhoopte effect. Beeldende kunstenaars liggen niet wakker van schrijffouten, kunnen zelf veel beter cartoons tekenen en zien de humor niet in van grapjes uit de ambtenarij…

Lees verder Personeelsfeest

Moederdag

Vijf jaar geleden. De dag voor Moederdag. Mijn zonen van 8 en 10 jaar wandelen naar de supermarkt met een rugzak alsof ze op expeditie vertrekken. Ze hebben een bijzonder missie: boodschappen doen voor Moederdag. De dag erna blijf ik extra lang in bed liggen, tot ik hen de trap hoor op stommelen. Even later lig ik te genieten van een luxe ontbijt met cava en al. Als de cadeautjes zijn uitgepakt en de cava ontkurkt, verneem ik dat een mevrouw hen gisteren in de supermarkt aan de kassa had tegengehouden omdat ze een fles cava wilden kopen. Als ze hun leeftijden optelden waren ze samen 18, maar dat telde niet als excuus. Dat het voor de liefste mama van de hele wereld was wel. Het heeft niets gescheeld of ik had als verrassing de kinderbescherming aan de deur.

Lees verder Moederdag

Verkeersles

Als we al eens buiten komen tegenwoordig is het om te gaan werken of om naar school te gaan. Maar vandaag maak ik een andersoortig uitje. Ik breng mijn zoon naar het politiegebouw. De politie heeft de afgelopen maanden actief gepatrouilleerd rond scholen. Tussen 8u en 8u30 gingen ze op zoek naar jongeren die een verkeersovertreding begingen.  Ze kregen geen boete maar een uitnodiging om een verkeersles te volgen tijdens de krokusvakantie. Mijn jongste zoon moest gisteren komen omwille van een kapot fietslicht en mijn andere vandaag omdat hij op het voetpad had gefietst. Nu zit hij op de passagierszetel te balen hoe het mogelijk is dat dit het enige evenement is in corona-tijd dat niet werd afgelast.

Als hij is uitgestapt zet ik de radio wat luider. Ik geniet van het ritje naar huis in mijn nieuwe auto. De bluetooth radio pikt vanzelf mijn Spotify-playlist op. Ik heb de indruk dat die radio zelfs aanvoelt welk nummer ik nodig heb. Na bijna een jaar steriel ingepakt te zitten in onze bubbel, vacuüm verpakt als vlees dat langer moet bewaard worden, snak ik zuurstof, naar feesten, naar een fuif, naar veel volk, naar drank in plastieken bekers, naar dansen met stroboscooplicht, naar luide muziek, naar beats die je hart gaande houden… et voilà Lenny Kravitz! Are you gonna go my way! Die zalige gitaarrif het hele nummer door, die dan even wegvalt om ons te plagen en pas weer invalt na de drum en de bas… Ik wil het nog eens horen, nog wat luider om de beat te voelen. Toen ik 18 was zette ik de boxen tegenover mekaar op de grond en ging er tussen liggen, om helemaal op te gaan in de muziek. Nu heb ik mijn auto, met massage zetel, verwarmd stuur en te coole boxen voor een luxe-madammencar!  

Rood licht. Als ik dan toch moet wachten, duw ik nog eens op repeat. Ik heb nu ook mijn armen vrij om op het ritme mee te zwaaien en aan Lenny aan te geven wanneer de rif weer moet invallen. Op het voetpad naast me staan twee buurvrouwen. Ze zijn even aan hun bubbel ontsnapt om een praatje te maken. De ene met een plumeau en de andere met een borstel om de toevallige ontmoeting te verantwoorden. Misschien zijn het niet eens buurvrouwen, maar gewoon twee vriendinnen die hier hebben afgesproken via een smsje “afspraak om 10u op het trottoir bij de verkeerslichten, daar zien we nog wat volk passeren en vergeet je plumeau niet!” Iedereen heeft nood aan een uitlaatklep. Ik van mij kant zit ondertussen headbangend en met mijn armen zwaaiend achter mijn stuur… De vriendinnen kijken vreemd op, ik ben een concertzaal op wielen.

Na een uurtje pik ik mijn zoon weer op. De muziek staat weer wat stiller. Al is de verleiding groot om hem het nummer te laten horen, zo luid als daarnet. Hij mag weten dat ik ook jong ben geweest en uit de bol ging op muziek. Misschien is het niet slecht even een ander aspect van mezelf te belichten dan de over- schoolwerk-en-rondslingerende-was-zeurende-moeder. Maar ik beheers me. Je eigen moeder die een regressie maakt naar haar puberjaren is niet wat een puber wil zien. Ik zal er geen begrip mee kopen, integendeel.

In plaats daarvan vraag ik hem hoe het was. Het antwoord is een langgerekte ‘Gewoon…’  

Na een paar minuten stilte sijpelt er toch nog wat informatie door. Er zaten nog een heleboel andere jongeren die ook uit hun bubbel mochten vandaag, omdat hun fietslichtje had gemankeerd. Hij zat naast een meisje dat op haar GSM had gekeken terwijl ze fietste. Ze kregen les over de verkeersregels van een politieman. Net als ik daarnet, had die willen aantonen dat hij ook jong geweest was en hun leefwereld kende. Het belang van niet te snel te rijden, had hij als volgt vergeleken: “Je ziet méér als je traag rijdt, vergelijk het met wanneer je op het strand wandelt, dan kan je ook beter de mokskes bekijken, dan wanneer je hen snel voorbij loopt”  

Wat een vergelijking! Het klinkt meer als een scène uit de hopeloos gedateerde Baywatch-serie dan iets uit de leefwereld van deze gastjes van net geen 15. Die maken geen strandwandelingen, die spelen games en kijken Youtube! En wat is de relevantie hiervan voor fietsende jongeren? Waren er jongens die te snel hadden gereden met hun fiets misschien? En dat woordgebruik, mokskes! Dat dateert van toen mijn vader hip was. En hoe heeft dat meisje dat in die klas zat dit geïnterpreteerd? Hoe meer ik erover nadenk, hoe meer plaatsvervangende gêne is voel.

Ik begrijp het wel natuurlijk. We doen de vreemdste dingen om tot die pubers door te dringen. Ik was er eerder die dag zelf ook bijna ingetrapt. Ik denk dat we vooral onszelf moeten blijven, want wat je ook probeert, je valt door de mand, het is een onmogelijke opdracht.

Dat mijn zoon een halve dag van zijn vakantie heeft moeten opofferen, zal meer effect gehad hebben, dan de verkeersles zelf, vermoed ik. Maar misschien is dat al genoeg om hem eraan te herinneren nooit meer te fietsen zonder licht. We mogen het kind niet met het badwater weggooien : verkeerslessen kunnen levens redden.

En tot slot nog een bonustrack : Are you gonna go my way (Lenny Kravitz)

Enjoy!

Schoenen

Drie jaar geleden. Het is een paar maanden voor onze trouw. De voorbereidingen zijn vlekkeloos verlopen. Alleen tijdens de zoektocht naar Filip zijn trouwkostuum staat het huwelijk nog even op de helling. We kunnen pas trouwen nadat hij zijn fobie overwint voor winkels met paskamers. Mijn toekomst ligt volledig in de handen van winkeljuffrouwen en hun therapeutische kwaliteiten. De missie slaagt. Thuis showt Filip trots een stijlvol trouwkostuum, op zijn kousenvoeten… Nu nog schoenen.

Om die laatste zoektocht in te korten doe ik vooraf prospectie op internet. Ik ben uiteraard niet van plan trouwschoenen online te kopen: trouwen doe je niet op postorderschoenen. Maar om een duidelijker beeld te krijgen op wat hij wil, en zo de winkeltocht te vereenvoudigen, selecteer ik een paar modellen op een webshop en vraag zijn mening. Eén paar vindt hij meteen chic. Er zijn veel verschillen tussen mannen en vrouw, maar bij ons komen er veel tot uiting tijdens het winkelen. Als ik denk dat ik de perfecte schoenen heb gevonden, wil ik altijd nog verder rondkijken of er niet nóg leukere bestaan… Bij Filip werkt dat niet zo. Nu hij in zijn ogen het perfecte paar heeft gevonden, gunt hij geen enkel ander nog een blik waardig. Meer nog, als ze zijn maat hebben, moet ik ze maar direct online bestellen.  

En dan heb je nog een verschil dat op dit moment in zijn voordeel speelt: mijn voeten variëren tussen maat 41 en 42, een variabele maat dus, waardoor ik alle schoenen moet passen. Maar er bestaan blijkbaar mensen, zoals Filip, met een vaste maat. Het principe van een vaste rentevoet, het kost waarschijnlijk meer in aankoop, maar je bent je hele leven op je gemak. Ik kan geen enkel argument meer bedenken om hem mee te krijgen naar een winkel.  

Maat 44 blijkt uitverkocht, maar na wat zoeken op het wereldwijde web, vind ik exact diezelfde schoenen op een andere website. Ze kosten dan nog eens de helft minder dan op de vorige site en ze hebben zijn maat nog! Van danig enthousiasme over zoveel geluk, bestel ik zonder aarzelen Filip zijn trouwschoenen online.

We zijn een paar weken verder. De meeste genodigden hebben al bevestigd. Enkel de trouwschoenen zijn nog niet van de partij. Ik doorzoek mijn mails en besef dat ik niet eens een bevestiging heb ontvangen van de bestelling. De site van de schoenen vind ik gelukkig terug via de zoekgeschiedenis van mijn computer. Nu pas valt het me op dat die is opgesteld in een soort Engels dat met haken en ogen vast hangt aan wat ze moeten betekenen. Dit is duidelijk een heel slecht gemaakte nep-website die mij heeft gelokt met foto’s geplukt uit mijn zoekgeschiedenis, of hoe dat ook werkt, ik ben erin getrapt. In mijn beste nep-Engels stel ik een klachtenmail op en hoop dat hij aankomt bij de Fake-ganistanezen.

De trouwdatum nadert op de kalender. Om te voorkomen dat Filip mij op blote voeten eeuwige trouw moet beloven, is een rondje winkelen nu onvermijdelijk. Het is de laatste hindernis. We slagen met gemak en komen thuis met een paar échte Van Bommels die Filip nu nog altijd draagt. Hij heeft er zelfs al mee gezwommen – al was dat niet uit vrije wil.

Een week later belt de postbode aan met een pakket dat niet in de brievenbus past. Ik heb geen flauw vermoeden wat het kan zijn. Binnen bekijk ik het pakje, het lijkt een doos in grijze plastiek gewikkeld met Chinese tekens bedrukt. Is het écht mogelijk dat de nepwebsite mijn klachtenmail heeft ontvangen en nu toch nog de schoenen heeft opgestuurd? Met verhoogde hartslag verscheur ik de verpakking. Er komt inderdaad een schoendoos te voorschijn. Ik ben verrast en tegelijk een beetje ontgoocheld. Het is niet zo’n doos van donkergroen karton met gouden letters waar lederen trouwschoenen in thuis horen, maar een flauwe ingedeukte blauwe doos. Ik durf het deksel er niet afhalen. Misschien is het wel de box van Pandora uit het Verre Oosten die alle onheil zal verspreiden. Zo vlak voor de trouw laat ik die maar beter dicht.

Mijn nieuwsgierigheid wint het van mijn angst…  

Ik plooi het deksel open. In de doos liggen naast mekaar, als twee baby’s in een couveuse, lieflijk ingepakt in een velletje wit boterpapier, twee fuchsia roze plastieken sportschoenen, alias de trouwschoenen van Filip!

Maat 44, ze passen perfect.

Lucy

Filip is verliefd op een ander. Dat merk ik aan kleine dingen. Hij loopt de hele tijd met een glimlach rond, klaagt niet meer over rugpijn en de achtergrondfoto op zijn telefoon is veranderd. Het portretje van mij, waarop ik poseer met een zomerhoedje, is vervangen door een foto van haar.

Ze heeft halflang zwart haar met een witte bles, donkere ogen, sproeten en dikke witte snorharen… Het is onze puppy Lucy.  

Maar ook tussen mij en Lucy klikt het. We hebben als het ware een perfecte ménage-à-trois. Ik was mee toen we haar gingen ophalen. De eerste keer dat ik haar in mijn armen nam, likte ze mijn mondmasker af en kroop in de kraag van mijn jas weg. Dat ik na die innige omhelzing, zo wreed moest zijn haar van mij af te rukken en toch opnieuw terug in de kennel te zetten, lag niet aan mij, maar aan het bancontact-toestel dat niet werkte. We werden verplicht eerst op zoek te gaan naar een bank om wat losgeld af te halen.

Velen hebben ons gewaarschuwd: ‘Waar jullie aan willen beginnen’! Ze hebben gelijk. Je leven verandert ingrijpend met een puppy. De conversaties thuis van de laatste dagen zijn gereduceerd tot ‘Foei en flink’, ‘kakje en pisje doen’, ‘kom en blijf’. We maken korte nachten door en af en toe moet één van ons beiden bij haar gaan waken als ze een huilbui heeft ‘s nachts. Bij het opstaan vergeten we elkaar een kus te geven en de eerste vraag die we elkaar stellen is of Lucy goed geslapen heeft. Mijn yoga-ochtendritueel is beperkt tot voorovergebogen met gestrekte benen haar plasjes op te kuisen.  

Voor alle duidelijkheid, Lucy is geen bevlieging. We hadden al lang een puppy-wens. Alleen dachten we eerst nog te wachten tot de verbouwing achter de rug was en alles afgewerkt. Maar wat een geluk dat we dat niet hebben gedaan! Een pup is als een baby maar dan zonder pamper. Het scheelt ons een hoop stress dat er nog geen parket ligt. Pups moet je eerst leren hun behoefte te doen op kranten, lazen we. We hadden al direct een probleem met ons digitaal krantenabonnement. Gelukkig is er nog de zondagskrant. We komen er net een week mee rond.

Het is ook wel bijzonder. We hebben nog geen kinderen samen, door Lucy komt er een extra level in onze relatie. Samen een baby-uitzet gaan kopen bijvoorbeeld. We keken er allebei naar uit. Tot we aan de inkom van de dierenzaak eraan herinnerd worden dat je alleen moet winkelen. Dan maar elk een kar nemen en doen alsof we niet samen horen. Filip volgt mij en duwt zijn kar iets te enthousiast vooruit tot op mijn hielen. Aan de verwijten die ik hem naar het hoofd slinger, is voor alle omstaanders meteen duidelijk dat we wel degelijk samen horen. We negeren de beschuldigende blikken en bollen snel door naar de rij met hondenmanden.   

Thuis zetten we het mandje onder de kerstboom. Nee, Lucy is geen kerstcadeau natuurlijk, maar ze moet poseren voor een kerstkaartje. We kregen al van zo veel vrienden kerstwensen, maar hadden nog geen tijd om er zelf één te maken. De fotosessie duurt tot Lucy op wandel gaat met de kerstboom en speels de kerstballen apporteert… ze leert bijzonder snel.

Aan iedereen dus onze welgemeende excuses, voor het ontbreken van onze wederwensen. We hopen op jullie begrip, maar we hadden het te druk. Voor een kerstkaartje is het nu te laat, maar nieuwjaarswensen hebben jullie nog te goed en wie na corona op bezoek wil komen, krijgt er nog een likje van Lucy bovenop.   

Mysterie

Laatst was er een nachtelijk mysterie op het werk! De conciërge zag ‘s nachts lichten uit zichzelf aan gaan en hoorde vreemde geluiden in de gangen. Gelukkig zijn er bewakingscamera’s in het gebouw. Die hangen er sinds ons jubileumjaar. Toen moesten ze kunstwerken beveiligen die werden tentoongesteld. Maar sindsdien hebben ze al meerdere mysteries opgelost.

Het eerste was de verdwenen boekentas van het zoontje van de directeur. Na uren zoeken, kwam hij op het lumineuze idee de camerabeelden te bekijken. En inderdaad! Ze hadden hun werk gedaan en keurig gefilmd hoe iemand naar buiten wandelde met de bewuste boekentas: de directeur zelf… Het camerasysteem had meteen zijn nut bewezen: als geheugensteuntje voor directeurs die te veel aan hun hoofd hebben. Nu wist hij tenminste dat hij die boekentas elders moest gaan zoeken.

En dan was er ook nog ‘de val’. Die vond plaats een jaar of wat geleden. Iedereen was al naar huis, behalve de IT-ers. Zij werken al eens graag ‘s avonds laat door. Alleen dan kunnen ze ongestoord aan het netwerk prutsen. Overdag is het risico te groot dat wij van de administratie hun bureau binnen stormen als onze PC of het internet even hapert. Een zekere vorm van dramatiek is ons in zo’n geval niet vreemd, dat geef ik grif toe. Tijdens zo’n laatavond-shift dus, hoorden zij plots een luid kabaal ergens in het verlaten gebouw. Het zijn IT-ers, zei ik al, koelbloedigheid staat niet in hun functiebeschrijving. Gelukkig waren ze met twee. Ze kropen samen achter een computerscherm en doorzochten via de camerabeelden het gebouw. Al gauw zagen ze in de kelderruimte een man op de vloer liggen! Aan zijn witte haar herkenden ze hem: de conciërge. Via de camerabeelden stelden ze vast dat hij niet gewoon op stond, maar lag te kronkelen van de pijn. De IT-ers sprongen op, liepen hem te hulp en belden de 112.  

Na dit noodlottig voorval, besliste de directeur dat er lichten met bewegingsdetectie moesten geïnstalleerd worden in de kelder. Niemand zou nog in het donker op de tast moeten naar schakelaars. Ook de poetsvrouwen werden nu ‘s morgens vroeg verwelkomd door licht. Weer een probleem opgelost! Alleen is het nu precies door die bewegingsdetectie dat er een nieuw probleem aan het licht kwam. Want hoe verklaar je dat die ‘s nachts zomaar oplichten? De conciërge, was er niet gerust in en wij ook niet.   

De IT-ers werden er weer bijgeroepen – die mannen zijn onmisbaar – en moesten net zoals in de betere misdaadseries nachtelijke camerabeelden doorzoeken. Wij gingen in afwachting gewoon terug aan ons minder spannende werk, maar werden gebriefd telkens ze iets vonden. Eerst waren er teleurstellende berichten dat ze op die beelden die lichten nooit hadden zien aan gaan. Daarna ontdekten ze dat het licht vermoedelijk een automatische test was van de noodverlichting… Maar dan op het einde van de werkdag, werden we er bij geroepen. Ze hadden iets gevonden!

Ik was eerlijk gezegd ontgoocheld. Ik zag niets op het scherm, alleen de lege inkomruimte van de kelder in zwart-wit. Ik kneep mijn ogen een beetje om scherper te zien, maar nog niets. Er liep een storende witte lijn verticaal over het beeld, misschien daardoor…? Ik keek vragend naar de IT-er. Hij beantwoordde mijn blik door te wijzen naar het scherm. Ik ging wat dichterbij kijken. Zijn vinger gleed langs die witte lijn, die uitliep op een fijn puntje, en nu duidelijk bewoog. ‘Dit is zijn staart’ riep hij vrolijk !

Ik sprong achteruit en schreeuwde alsof het beest op mijn schouders zat. (Koelbloedigheid staat ook niet in mijn functiebeschrijving.) Van op een veilige afstand bekeek ik de rest van het bewijsmateriaal. Daarop zagen we Ratatouille dit keer over de vloer trippelen. We herkenden hem aan zijn twee flikkerende oogjes die oplichtten als hij in de richting van de camera keek. Even later verdween hij onder de mat bij de voordeur, naar het afvoerputje richting riool. Op dat putje moet nu dringend een nieuw deksel komen.

Complot

De laatste dagen hoor ik van opvallend veel mensen dat ze last hebben van een neerslachtig gevoel. Zelfs mensen die ik niet zo goed ken, beginnen er over. Sommigen vechten tegen de tranen als ze erover vertellen en weten niet precies hoe het komt. Want ‘ze hebben toch niet te klagen’, ‘ze hebben tenminste nog hun werk’, ‘ze zijn gezond’… Terwijl ze hun eigen gevoel weg relativeren, verwijten ze zichzelf dat ze zich ondanks alles toch zo voelen. De enige blijk van troost die ik kan geven, is dat ik het herken. Ik heb er zelf ook mee te kampen.

De redenen liggen voor de hand. Het zijn de donkerste dagen van het jaar. Andere jaren hielden we ons nu een beetje gaande door onze feestdagen te plannen, cadeautjes te kopen, terwijl we tegelijkertijd liepen te klagen dat we er zo tegenop zagen, al die familiale verplichtingen! Maar nu valt het vooruitzicht op die opgelegde feestelijkheden compleet weg. We hoeven niets te plannen en zullen ons moeten troosten met een flesje in eigen bubbel. We leven in een soort vacuüm. Er is niets om naar uit te kijken. Het gevolg is dat de januari-blues al vervroegd zijn intrede doet. Het is zoals de seizoenen die verschuiven.

Maar er is nog iets, iets kleins, dat naar mijn gevoel een niet te onderschatten impact heeft: die mondmaskers! Al maanden zijn alle gezichten rond ons verborgen. Die kleine blikken van verstandhouding, van herkenning met toevallige medemensen. Vergelijk het met de zon op onze huid in de zomer. Je kàn leven zonder, maar het is toch aangenaam zo af en toe.

Het lijkt niet essentieel en je staat er meestal niet bij stil. Maar zo’n glimlach van een passant die je kruist op straat, van iemand die de deur voor je open houdt, van een medepassagier in de trein die plaats maakt voor jou, van een kassierster in de supermarkt die wacht tot je je bankkaart hebt gevonden…. ? Met één blik maak je connectie, heel kort. Ook al ben je je er niet van bewust, het is alsof ze zouden zeggen: het is O.K., ik heb geduld, geen zorgen, alles komt goed, …
Is dat de reden waarom alles dubbel zo zwaar weegt?

Eens de mondmaskerplicht weg valt, ga ik in ieder geval bewuster glimlachen ontvangen én uitdelen. En wie zal er volgend jaar nog durven beweren dat hij opziet tegen de feestdagen?

Ik begin het meer en meer te geloven…. Het corona-virus is misschien inderdaad één groot complot, van de Dalai Lama of een paar van zijn aanhangers, met als doel ons die kleine menselijke ontmoetingen te leren herwaarderen.

Test

Ik leun ongemakkelijk achterover in de relax en laat mijn mondmasker zakken tot onder mijn neus. De vacuüm verpakte verpleegster pakt een wit stokje dat ze lieflijk een wissertje noemt. Ik verwacht me aan een kriebelgevoel achterin mijn keel zoals de vorige keer bij de dokter. Dat was maanden geleden toen iedereen nog getest werd die eens had gekucht. Vandaag zit ik in het triage-centrum. Hier pakken ze het veel serieuzer aan, voel ik meteen. De stok baant zich een weg, waarvan ik niet wist dat die er was: door mijn neus, onder mijn oogkas tot hij tegen de onderkant van mijn hersenen botst. Binnenin voel ik het uiteinde krabben alsof de verpleegster een uitstrijkje wil nemen van mijn hersencellen. Mijn rechteroog slaat alarm en probeert de vreemde indringer tevergeefs weg te spoelen met een tsunami traanvocht. Als de krabber er eindelijk uit is, krijg ik een doekje tegen het tranen. Bij de uitgang staat mijn oudste zoon me al op te wachten zonder doekje. Hij onderging nochtans dezelfde ingreep. Bij hem had de verpleegster eerst gevraagd hoe oud hij was, zei hij. Daarna koos ze het passende stokje voor zijn leeftijd. Mijn stokje zal de taille unique voor volwassenen geweest zijn, vermoed ik.

De dag erna kan ik mijn resultaat opzoeken in mijn digitaal ziekenhuisdossier, dat ik schijn te hebben. ’s Anderendaags ontdek ik dat er inderdaad een soort Wikipedia-pagina van mezelf bestaat. Een oplijsting van al mijn ziekenhuisgegevens, RX-foto’s, dates met dokters, operaties, bevallingen,… Geen enkele dokter kan ik nog iets wijsmaken. Er hoort ook een pagina bij met laboresultaten. Het is een tabel met testen, cijfers en resultaten, die veel weg van het herfstrapport van mijn zonen op smartschool. Zenuwachtig ga ik op zoek naar het woord ‘positief’ of ‘negatief’.

Alle scenario’s van wat kan volgen flitsen door mijn hoofd: herfstvakantie in volledige quarantaine, huisarrest voor mezelf, mijn gezin én voor alle contacten van de afgelopen dagen, zieker worden, aan een beademingstoestel liggen,.. Mijn hart slaat een paar tellen over als ik het woord vind: COVID. Ik houd mijn adem in om nu het verdict te lezen ernaast.

Er staat ‘Memo’! Ik kijk nog eens terug naar de papieren handleiding die ik mee kreeg. Dat is niet eens één van de opties volgens dat blad? Toevallig ontdek ik dat de cursor verandert in een handje als ik over het woord beweeg. Ik klik en er verschijnt een pop-up. Paniekerig scan ik de tekst die erop staat en dan zie ik één woord blinken: Rand-positief.

Na de eerste schok, verman ik mezelf en doe nu een poging rustig de tekst te lezen die rond dat woord staat. “Een zwakke detectie van het virus wat kan wijzen op sporen van een oude besmetting of een primaire fase van een heel recente besmetting.”

Rand-positief? De enige andere samenstelling die ik ken met rand is ‘randdebiel’ en dat zou je ervan worden!

Het mysterie wordt nog groter als ik het resultaat van mijn zoon lees. Hij die loopt te hoesten en te snotteren, door wie ik mijn eigen symptomen begon te linken aan het virus en van wie ik zo goed als zeker de vermoedelijke besmetting heb opgelopen is …negatief?

Van zodra het dokterskabinet open is, probeer ik de dokter te bereiken voor meer uitleg. De dokter antwoordt haastig maar vriendelijk dat ze het nog moet bekijken en mij dan zelf zal terug bellen. Ik loop een paar uren te ijsberen, maar besluit dan dat ik niet langer kan wachten. Plichtbewust verwittig ik al de mensen met wie ik recent nog contact had. Dit testresultaat kan mogelijks ook voor hen gevolgen hebben.

Het duurt nog tot kort na de middag tot ik de overwerkte dokter aan de lijn krijg : “Ja we zien dat resultaat veel tegenwoordig”, zegt ze. “Het ligt aan het feit dat ze in het triage-centrum met zeer gevoelige testen werken, die soms te gevoelig zijn, waardoor we veel vals-positieven meten”.

Na rand-positief ben ik plots mogelijk vals-positief. Het is weer wat anders maar je wordt er niet minder onnozel van. Het is het soort positief dat eigenlijk negatief is. Omdat het onder de noemer positief valt, moeten we doen wat de positieven doen: ik krijg telefoon van de COVID-contact-tracers, moet in volledige quarantaine, de kinderen onmiddellijk terugroepen uit school en ook Filip moet laten vallen waar hij mee bezig is. Ik bel hem op en hoop dat hij niet net met een half gemonteerde chauffage in zijn armen staat…

Om zeker te zijn, stelt de dokter voor een nieuwe test te doen, bij haar in de praktijk.  “Lukt dat morgen om kwart voor elf?” vraag ze. Ik onderdruk een cynische repliek, dat ik niet één reden kan bedenken waarom dat niet zou lukken. Dokters hebben geen tijd voor grapjes nu, en al zeker niet nu ik weet dat ze ook nog eens al die rand-positieve testen moet overdoen van het triage-centrum.

Ik zal de rest van het verhaal niet zo langdradig maken, als het voor mij is geweest. Dus spoel ik vanaf dit laatste gesprek nu snel 52 uren door, tot dat moment, waarop ik eindelijk te weten kom dat ik al die tijd gewoon NEGATIEF was. Ik ben nog nooit zo blij geweest met een negatief resultaat !

Boodschap

Mijn aankopen schuiven met schokjes naar de kassierster toe. Nauwlettend hou ik haar handen in de gaten, terwijl ze afrekent met de vrouw voor mij. Zo meteen zal ze het beurtbalkje wegnemen. Dat is het startschot. Vanaf dan moet ik mijn boodschappen even snel proberen in te laden als zij ze scant. Het is een oneerlijke wedstrijd. Mijn taak is veel complexer. Van elke aankoop moet ik beslissen in welke tas ik die best opberg. Er is één voor koelkast-spullen, een andere voor droge voeding, dat is het basisidee. Daarnaast moet ik ook nog rekening houden met de stevigheid van de verpakkingen en de afmetingen. Die bepalen mee waar iets terecht komt. Chips, eieren, rijpe peren mogen niet onderin belanden. Dat soort breekbare etenswaren parkeer ik tijdelijk naast de zakken tot op het einde. Het is een hele klus, ik moet er mijn focus bij houden.

Een proximus-deuntje van de klant na mij brengt me uit mijn concentratie. Alsof dat al niet voor genoeg afleiding zorgt, begint hij nu ook luid een gesprek te voeren met zijn mobiele telefoon. De andere kant van de lijn kan ik niet horen, maar aan de schaarse stiltes die er vallen, leid ik af dat het geen echt gesprek, maar eerder een monoloog is :

Ah, hei, hoe is ‘t? … Alles goed? … Ja klopt, ik had jou gebeld. Het was gewoon om te zeggen dat ik iemand heb leren kennen, hé. Via Tinder… Ja en ze logeert nu dus bij mij. Ze is wel wat ouder, ze is al 47 maar ‘t is een proper madammetje. Ik ben nu aan het winkelen en zij zit te wachten in de auto. Maar ik ga je nu laten, want ik sta aan de kassa.

Ik geef het op. De rest van de boodschappen gooi ik los in mijn kar. Mijn brein heeft nu te veel werk met het verwerken van dit gesprek. Ik hoor chips kraken onder de blikken cola. Mijn verbazing probeer ik te verbergen. Dit gesprek was uiteindelijk niet voor mijn oren bedoeld. Maar wat een gemiste kans! Zo’n heuglijk nieuws te moeten vertellen aan de telefoon terwijl je staat aan te schuiven aan de kassa! Met wie kan die man nu hebben gebeld? Iemand met wie hij dit liever niet te uitvoerig bespreekt? Zijn moeder misschien, die niet meer dolenthousiast is na al te veel nieuwe vriendinnen? Zijn zoon die net alleen is gaan wonen wegens een aanvaring met een vorige vriendin? Zijn ex aan wie hij had beloofd haar als eerste in te lichten als hij een nieuwe relatie had? Of is er een andere reden waarom hij dit hier langs de telefoon afhandelt? Is zijn proper madammetje toch niet proper genoeg?

Ondertussen zit mijn bankkaart in het betaaltoestel, duw ik met een oorstaafje de pincode in en begluur ik de beller om de situatie beter in te schatten. Hij is even groot als mij, fors gespierd, kort geschoren haar en zonder dat ik ze kan zien, ben ik zeker dat hij tattoo’s heeft. Maar wel een propere vent, zoals hij het zelf zou zeggen. En dat leeftijdverschil waarover hij het had, dat zal nog wel meevallen. Want eerlijk gezegd kan hij evengoed doorgaan voor een 47-jarige. Of misschien ligt dat aan de plexi rond de kassa, die van hieruit wat tussen ons zit…

Bij mijn auto gooi ik de slecht gesorteerde boodschappen slordig op de achterbank. Ik kan nu geen tijd verliezen, want ik wil de man niet missen als hij uit de winkel komt. Als ik mijn lege kar wegbreng, wandelt hij net naar buiten en parkeert zijn lege winkelwagen. Met een boodschappentas loopt hij in de richting van een klein wit autootje. Er zit inderdaad iemand te wachten aan het stuur. Ze stapt helaas niet uit om hem rond zijn nek te vliegen omdat ze hem zo heeft gemist en ook niet gewoon even kort om mijn nieuwsgierigheid te bevredigen. Hij stapt in het autootje waar hij met zijn torso nauwelijks in past. De auto rijdt traag de parking af. Ik vermoed dat zij ondertussen luistert naar zijn verslag van het telefoongesprek. Misschien is ze blij dat ze nu officieel telefonisch werd voorgesteld aan familie.

Ik blijf achter met mijn boodschappen en duizend vragen. Het voorval blijft door mijn hoofd spoken. Als een muziekdeuntje dat te abrupt is afgebroken. Hopelijk komt het goed met alle familieleden, met de moeder en de zoon en natuurlijk ook met zijn ex. En wie weet, binnen enkele maanden, als hun relatie al wat verder is uitgebouwd en ze er al aan toe zijn samen boodschappen te doen, doet hij een huwelijksaanzoek, in de rayon van de champagneflessen.

Tandarts

Het is een warme dag. Ik ben op weg naar de tandarts voor mijn jaarlijkse controle. Als ik eraan kom, zweet ik van de inspanning door het fietsen. Het voelt vervelend vochtig onder mijn mondmasker. Ik heb eigenlijk geen idee of ik er één moet dragen of niet bij de tandarts -het lijkt me niet zo praktisch- maar ik durf het niet af te zetten. Van een vriendin hoorde ik dat ze voor een uitstrijkje halfnaakt lag, benen wijd en hoog in de beugels, mét mondmasker! Kwestie van de gynaecoloog niet te besmetten… Dan zal het bij de tandarts ook wel moeten zeker?

In de wachtzaal draagt iedereen er inderdaad één. Terwijl ik plaats neem, prul ik met mijn vingers onder het masker in een poging wat luchtcirculatie te creëren onder de stof heen zodat mijn zweterig gezicht kan drogen. Het wak gevoel verdwijnt niet. Er is gelukkig een toilet dat uitgeeft in de wachtzaal. Ik sluit me er even in op en geniet van de privacy om mijn gezicht te ontmantelen. Omdat die handeling niet lang genoeg duurt om een toiletbezoek na te bootsen, was ik uitgebreid mijn handen. Terwijl ik ze sta af te drogen, valt mijn oog op een briefje op de deur : Omwille van Corona vragen wij u, indien mogelijk, uw toiletbezoek uit te stellen tot thuis. Indien niet mogelijk, gelieve dan na uw toiletbezoek de tandartsassistente te verwittigen zodat het toilet kan ontsmet worden.

Ik durf niet direct naar buiten te komen. Heel de wachtzaal zal denken dat ik onhoudbare diarree heb! Omdat er niet veel andere opties zijn, open ik dan uiteindelijk toch maar onzeker de deur. Ik verberg mijn gezicht zo ver mogelijk achter mijn masker, dat nu toch zeer van pas komt. Ik kijk schichtig naar de onthaalbalie waar de assistente normaal zit -die ik volgens het briefje moet inlichten. Het is leeg. Ik sluit de deur van het toilet stilletjes weer achter mij en zie nu pas dat die mededeling ook aan de buitenkant van de deur hing. Zonder opkijken naar de andere wachtenden schuif ik me neer op het dichtste vrije plaatsje in de wachtruimte. Niemand zegt iets, een immense stilte valt. Ik hoop dat mijn darmen nu niet beginnen te brobbelen.

Ineens komt de assistente haastig uit een tandartskabinet gelopen. Op de balie staat de telefoon te rinkelen die ze dringend moet beantwoorden. De beller lijkt afspraken te moeten maken voor de ganse familie en de assistente probeert met te veel geduld afspraken te zoeken die passen in de gezinsagenda. Dat alles terwijl er iemand staat te wachten om af te rekenen en er nog één van de kabinetten moet ontsmet worden voor een volgende patiënt… Ik zit me te pletter te generen. Het mens weet nu al niet waar eerst gesprongen en nu moet ik haar straks nog eens vragen WC-madam te gaan spelen! En dat alleen omdat ik mijn mondmasker eens wou afnemen.

Mevrouw Salembier? Het is de tandarts die klaar is om mij te ontvangen. Ik vlucht zijn praktijk binnen en ga meteen languit liggen op zijn semi-Freudiaanse sofa zodat hij aan zijn diepte-interview kan beginnen.

Hij duwt op een knopje waardoor de stoel met mij erop langzaam van positie wijzigt. Het is een heel modern exemplaar. Niet zo’n ouderwets ding waarvan alleen de rugleuning achterover zakt. Er is geen enkel onderdeel aan deze stoel die niet van positie verandert. Door een samenspel van bewegingen van de zitting, hoofdsteun, voet- en rugleuning zak ik onderuit, achterover, naar beneden en tegelijk naar boven. Ik kan het moeilijk uitleggen…. Ik eindig met mijn hoofd ter hoogte van de knieën van de tandarts en lig me ondersteboven af te vragen waarom zo’n stoelen niet uitgerust zijn met een veiligheidsgordel.

Eindelijk krijg ik zijn toestemming om mijn mondmasker naar beneden te schuiven. Het moet onder mijn kin, toont de tandarts mij voor. Waarom ik het niet gewoon mag af doen, snap ik niet goed. Als ik mijn mond wijd open sper, voel ik de elastieken achter mijn oren spannen. Het was nog maar een nieuwe. De herbruikbaarheid wordt zwaar op de proef gesteld.

De tandarts begint aan een vluchtige sightseeing met een spiegeltje om de toestand van mijn mond te inspecteren. Wat heb je een mooie grote mond! Roept hij verwonderd. Het is de eerste keer dat een tandarts mij een compliment geeft. De vorige tandartsen waren vooral vrouwen, misschien heeft dat er mee te maken? Ik bloos ervan en doordat mijn voeten een halve meter boven me uit steken, bereikt het bloed natuurlijk veel gemakkelijker mijn hoofd. Ja echt, je hebt al je wijsheidstanden en er is nog plaats over! Het is een plezier om in te werken!

Met mijn mond zo wijd open kan ik weinig repliceren. Ik geef een knik bij wijze van bevestiging. Hij installeert zich nu om erin te vliegen. Let the party begin, lijkt hij te denken. Ik houd me zo stil mogelijk, niet helemaal zeker of ik me zorgen moet maken, bestaat er zoiets als mondfetisjisme? Voor de zekerheid werk ik flink mee om hem zo snel mogelijk zijn werk te laten doen. Op zijn verzoek sper ik mijn mond wijd of minder wijd open, probeer ik niet te veel te slikken en hem niet te hinderen met mijn tong. Ik kom er met relatief weinig instrumentarium van af. Als hij klaar is, duwt hij op het knopje. De stoel begint zoemend aan zijn landingsmanoeuvre. Voor mij gaat het veel te traag, ik voel me mans genoeg om me uit eigen kracht op te richten, vind ik. Ik wil er al af springen, maar de tandarts laat me nog niet uitstappen. Hij trakteert me nog op een glaasje spoelwater. Nadat ik het bakje heb vol gespuwd, trek ik mijn masker over mijn gezicht en wil ik nu zo snel mogelijk terug naar de wachtzaal lopen.

Maar ineens voel ik me helemaal duizelig worden. Ik heb me veel te snel opgericht waardoor alles draait in mijn hoofd. Ik sta te wankelen op mijn benen. De tandarts merkt het op en insisteert dat ik beter nog even ga zitten. Ik kan niet anders dan op zijn uitnodiging in te gaan en plof neer op de stoel bij zijn bureau. Verdwaasd zit ik tegenover hem terwijl hij de gegevens van de behandeling invoert in de computer. Ik kan niet zien of hij iets noteert over mijn grote mond.

Als de kamer niet meer draait, sta ik op om de rekening te gaan betalen bij de assistente. Of het toilet al werd ontsmet, is mij een raadsel. Zelfs met mijn grote mond durf ik het niet meer op te werpen. Ik betaal mijn schulden en besef dat ik er weer vanaf ben voor een jaar !

En zo wandel ik buiten met die gigantische fenomenale glimlach van mij (sorry, ik laat me even drijven op de euforie van het moment), al zat die veilig verborgen onder mijn mondmasker…